E.H. JOZEF DE VROEY   ( 1912-1999)

 

  • tekst uit : Het Oude Land van Aarschot
    XXXIVe Jaargang Nummer 2 Juni 1999 door Brigitte Raskin
  • IN MEMORIAM JOZEF DE VROEY (1912 – 1999)

Zijn lange leven heeft priester Jozef De Vroey getuigenis afgelegd van de gebeurtenis die dat leven zwaar getekend heeft, de moordpartij die de Duitsers aanrichtten onder de Aarschottenaars op 19 augustus 1914. Hij wilde dat wij, zijn stadsgenoten, die dag in ons collectieve geheugen zouden prenten en er lessen zouden uit trekken. Wat hij vertelde, wil ik en moeten wij voortaan vertellen, nu we eind maart afscheid hebben moeten nemen van deze gedreven, boeiende, vriendelijke man.

Ik citeer hierna wat ik over 19 augustus 1914 en Jozef De Vroey schreef in mijn boek De Eeuw van de Ekster. Aan de dramatische gebeurtenissen waarover ik het heb, gaat de Duitse inname van Aarschot vooraf. Enkele Duitse regimenten werden in de stad ingekwartierd en de hoogste officier in rang , kolonel Stenger, nam zijn intrek bij burgemeester Tielemans. Diens huis stond op de hoek die de Peterseliestraat, nu de Martelarenstraat, met de Grote Markt vormde. Er heerste onrust in de stad, er werd geschoten en brand gesticht.

Kolonel Stenger hoorde de knallen in de vooravond ook. Hij kwam polshoogte nemen op het balkon. Aan de overkant van de Grote Markt, schuin tegenover het burgemeestershuis, laaiden de vlammen op. De Duitse ritmeester had er een huis in brand laten steken omdat er volgens hem vrijschutters achter de ramen verscholen zaten, ook al werden er geen uitgerookt. Er klonk geroep en gebral op straat, er werd heen en weer geschoten. In al die chaos werd de kolonel plots getroffen door een kogel. Stenger zeeg dodelijk gewond neer. Later werd uitgemaakt dat één van zijn eigen mannen de wilde schietpartij te baat had genomen om bullebak Stenger welgemikt uit te schakelen. (…)

“Dat wordt ernstig voor mij,” zei Tielemans toen Stenger over de venserbank was gehesen en met het hoofd onder een handdoek op een bed was uitgestrekt. De burgemeester kreeg gelijk. Binnen het halfuur brak een terreur uit die zijn stad in één nacht tot een oord van weduwen en wezen maakte.

Op het eind van de eeuw woont er in Aarschot nog één persoon die het oorlogsdrama van 1914 van dichtbij heeft meegemaakt : Jef De Vroey. Hij heeft de gebeurtenissen als jongetje van twee onbegrijpend aangestaard en ze daarna opnieuw en opnieuw in zijn nachtmerries zien verwerken. In een poging het trauma te bezweren, heeft hij het oorlogsverleden van zijn stad tot op het bot uitgezocht, maar is er zo meer dan ooit de getuige van geworden.

De vader van Jef De Vroey werkte als zoveel Aarschottenaars op de brouwerij van Tielemans en woonde met zijn vrouw en vijf kinderen in de Peterseliestraat in het stadscentrum. Ze zaten die fatale woensdag met z’n allen in de huiskamer. De schrik was hen om het hart geslagen toen ze gezien hadden hoe Duitse officieren vanuit een slaapkamerraam bij de buren voor hun plezier naar voorbijgangers hadden geschoten.

Rond zevenen nam de beroering op straat toe. Soldaten haalden alle mensen buiten. Ze rukte Jefje uit de armen van zijn vader en duwde hem tegen zijn moeder aan. De vrouwen en kinderen moesten aan de pomp in het midden van de Markt gaan staan, terwijl de mannen en grote jongens in een hoek werden verzameld. Nog voor de duisternis inviel, werden meer dan tachtig mannen naar de Leuvensesteenweg weggevoerd. Onderweg werden drie van hen vrijgelaten, een kleermaker op krukken, een ziekelijke man en een oude man die niet kon volgen. Aan het café “Au repos des cycliste” mochten drie jongens het op een lopen zetten. Toen waren de gevangenen nog met achtenzeventig.

Ze werden over een gracht naar een weide geduwd. Daar barstte de Duitse woede op Aarschot uit in een gruwelijke moordpartij. De achtenzeventig moesten drie aan drie door de weide lopen. De beulen schoten de biddende, huilende en vloekende mannen in de rug. Toen de verwarring toenam, knalden ze er in het wilde weg op los. Een naburig huis dat in brand stond, zette alles in lichterlaaie, maar toch konden drie mannen de duisternis invluchten. De één ramde de soldaat naast hem in de buik en sprong vooruit, de ander bukte zich voor de kogels en stortte zich hals over kop in het donker, de derde gilde en spurtte weg. Hij zou de hele nacht in een greppel blijven liggen en er al die uren gekerm horen en soms een genadeschot, de eufemistische benaming van een tweede executie.

Op de markt was Jefke dicht tegen zijn moeder aan blijven staan. Terwijl vader werd weggebracht, keek hij met grote ogen naar de brand van de stad, een hel die door duivels in uniform werd opgepookt rond de verdoemden aan de pomp, die moesten zwijgen als vermoord in plaats van het uit te schreeuwen van angst en ontzetting.

De eerste groep mannen was nog maar pas vertrokken toen de volgende al werd aangevoerd. Deze keer werden de gevangenen geboeid, met de handen op de rug met touwen die sneden als koperdraad. Rond elven werden ook burgemeester Tielmans, zijn zoon en zijn broer naar de Markt gebracht. Zijn vrouw die bij de pomp stond, zag hoe de blik van haar man zijn huis en de menigte aftastte op zoek naar zijn vrouw en zijn dochter. Ze gaf geen kik, keek de drie enkel na toen zij op hun beurt samen met tientallen mannen werden weggevoerd naar de Leuvensesteenweg.

De geboeide mannen moesten in een aardappelveld gaan zitten, terwijl de Tielemansen in een boerderij voor een “krijgsraad” verschenen. De zogenaamde rechters achtten een volksopstand bewezen en gaven de drie aanstokers en hun handlangers de doodstraf. De medeplichtigheid van de Aarschottenaars werd geschat op één op drie. Daarom werden er in het aardappelveld vijfentwintig van de bijna tachtig gevangenen aangewezen. De vijftig begenadigden moesten zich naar de straatkant keren terwijl achter hun rug de Duitsters zich met een massa-executie wreekten op de Aarschottenaars. (…)

De vijfenzeventig doden werden haastig en wanordelijk in de grond gesmeten door Duitse soldaten. De achtentwintig werden eerbiedig en zorgvuldig in een groot graf gelegd door medeburgers, die in de buurt waren opgepikt en naar het aardappelveld gebracht waar ze een afgrijselijk kluwen lijken vonden, het gedankteken van alle oorlogen in alle tijden.

Jef Devroey was twee toen zijn vader werd vermoord en nog geen tien toen zijn moeder stierf. Na haar dood werd hij opgevoed door een tante en oom. Hij werd priester-leraar in Antwerpen en Leuven, maar bleef in de eerste plaats Aarschottenaar. Hij schreeft een boek over het oorlogsdrama en beëindigde het met een brief aan de Duitsers die hij ondertekende met “één der tweehonderd vierendertig oorlogswezen van Aarschot 1914”.

Zijn geloof dicteerde hem te “vergeven en vergeten”, zei hij aan de Duitsers, maar het klinkt knarsetandend.(…)

In zijn woonkamer hangt een collage: onder een tekening van schietende pinhelmen, vallende slachtoffers en een portret van zijn vader, plakte de zoon kogelhulzen die aan de Leuvensesteenweg werden gevonden en het touw dat de handen van burgemeester Tielemans bond. “Vergeven ja, vergeten nooit,” staat erboven. De tekening is ook van zijn hand. Van jongs af aan nam hij liever een potlood of penseel dan een schrijfpen ter hand. Het silhouet van de kerk van Aarschot, vlaggen en monumenten werden zijn sjablonen. Er kleeft dikwijls bloed aan zijn werk. Zijn Duitsers zijn allen soldaten en hebben een karikaturaal “lelijk bakkes”. Hun helmen, handen en laarzen zijn extra groot. De pinhelmen van 1914 en de hakenkruisvaarders van 1940: allemaal zien ze er hetzelfde uit. Na de tweede wereldoorlog werd zijn motto “Aarschot naast martelarenstad ook heldenstad”. De martelaar tekent hij als de man die in de rug werd geschoten en neerstortte, zijn vader , de held als de man die zijn rug rechtte en zijn hoofd hief, mijn oom Joseph, toen hij in 1943 tegenover de nazi’s stond. (…)

In de jaren zestig werd het Jef De Vroey allemaal te machtig en ontstak hij in heilige verontwaardiging over de verwaarlozing van de weide van de woede en het aardappelveld van de wraak. Over de Leuvensesteenweg schreef hij : “Bij ons in de Peterseliestraat waar alle vaders werden gedood, had die naam niets uit te staan met een steenweg : hij was een begrip geworden waarover de stem van onze moeders struikelde. “Beukend op de vergetelheid schreeuwde De Vroey moord en brand. Hij ijverde ervoor dat “op de plaats van de tragedie” een kerk werd gebouwd en zo geschiedde : de Sint-Rochuskapel.(…)

Het boek van De Vroey over Aarschot in 1914, geen vier maanden na de gruwelijke feiten, toen de Duitse bezetting en het Aarschotse oorlogsleven vaste vorm hadden gekregen, werden de massagraven opgespit. Een spannende moment, want hier en daar werd nog steeds gehoopt dat een vermiste was gevlucht in plaats van neergekogeld. Het leegmaken van de putten zou uitsluitsel geven en de doden zouden fatsoenlijk begraven kunnen worden op het kerkhof. Een aannemer had de leiding van de werken, priesters en notabelen waren getuigen, het volk stond in de buurt, drie dagen lang. (…)

De lijken waren onherkenbaar, maar werden geïdentificeerd aan de hand van voorwerpen die zich in hun zakken bevonden, de schaar van een schildersgast, de vislijnen van een hengelkampioen, pijpen, horloges, sleutels die door familieleden konden worden thuisgebracht. (…)

Als een litanie verwoordde Jef De Vroey het eeuwige verhaal van mensen die vergaan en dingen die blijven bestaan. Hij nummerde, noemde en eerde de slachtoffers één voor één, schreef onder andere het volgende : “Mijn vader zaliger was het zestiende lijk dat men ophaalde. Hij was 44 jaar oud. Vader werd herkend aan zijn trouwring. Hij droeg verder zijn paternoster, een portemonnaie, pennemes en zakdoekje. Op de borst droeg hij een grote medaille van het Heilig Hart waar de kogel middendoor is gegaan. Die doorboorde medaille is ons heiligste bezit.”

Jozef De Vroey stond erop dat die medaille mee met hem begraven werd. Hij stond er ook op dat wij de Sint-Rochuskapel het Sint-Rochus Memoriaal zouden noemen. Laten wij dat dan ook alstublieft doen, in herinnering aan hem, aan zijn vader en aan alle martelaars van 1914.

— Brigitte Raskin

 

Richard Vermaelen was de broer van mijn overgrootmoeder, Josephine Van Kerckhoven Vermaelen.  Richard Vermaelen was maatschoenmaker in de Peterseliestraat nummer 28.  Hij was gehuwd met de Aarschotse Louise Van Cappellen, de dochter van een schoolinspecteur. Het echtpaar had zes kinderen.  Eén van de zonen werd pastoor van Laeken en huwde mijn ouders in 1961.

Pieter Van Kerckhoven