°1938




Die Poesie der Reduktion

Die Beschränkung der Mittel und radikale Reduktion befördern eine Konzentration auf die Essenz der Dinge.  Damit wird auch die Begegnung von Betrachter in und Objekt stärker ins Zentrum gedrückt.  Frei von illusionistische und metaphorischen Botschaften sollen die Werke nicht repräsentieren, sondern vielmehr existieren.  Minimalismus, Konsequenz und Serialität prägen die versammelten Positionen.  Durch selbst auferlegte Beschränkungen wird ein erstaunliches Potenzial freigesetzt.   So bringt das Konzept, nur quadratisch und nur in Weiss zu malen, eine überraschende Vielzahl an Variationen und Nuances hervor.  Robert Ryman  

“de aarde
die mij zijn vaste voet leent
en de hemel zijn ademruimte
daartussen
span ik mijn doeken”

LUDO VAN HEES

  • Tekst door Lore Van Hees naar aanleiding van de retrospectieve tentoonstelling in het CC Gasthuis 7 -30 maart 2003
  • Ludo Van Hees exposeerde al verscheidene malen in Aarschot.  Vandaag krijgt hij ruimte om eerder en recent werk te tonen.  Een belangrijke drijfveer voor zijn schilderkunst is het onderzoek naar traditionele vormcategorieën van de schilderkunst die de kunstenaar als creatief beperkend ervaart. Centraal staat hierbij de relatie tussen canvas en de omringende ruimte en met het schilderij als object.  Tot eind jaren negentig is dit intense onderzoek naar de grond(s)lagen van de schilderkunst de rode draad doorheen de schilderkunst van Ludo Van Hees.
    Stilaan evolueren zijn schilderijen naar vrijstaande objecten, stevig vastgeklonken in de vaste grond, terra firma, in staat om de confrontatie aan te gaan met de omgeving : de ruimte én de toeschouwer.  Een bevraging van de schilderkunst vanuit de schilderkunst zelf.

Met de eeuwwisseling ondergaan de schilderijen een metamorfose.  Hoewel ze zich opnieuw met de muurwand verzoenen, nodigen ze deze architecturale afbakening uit zijn taak als begrenzer te verloochenen en mee op te gaan in het (v)luchtige spel van wolken en lucht.

Vandaag stelt Ludo Van Hees terug de fundamentele vragen die zijn werk reeds vroeger beïnvloedden.  Hij onderzoekt het schilderdoek opnieuw als een vlak dat door een nieuwe huidbehandeling zijn eigen vaste plaats aan de muurwand opeist.  Hierdoor worden de twee polen van zijn schilderkunst samengebracht: aarde en lucht, materie en geest hebben in elkaar hun gelijke gevonden.  De werken worden tentoongesteld in de gerestaureerde ruimten die ooit onderdak boden aan de Grauwzusters van Aarschot.  Door de tactiele bewerking en bekleding van het schilderoppervlak met jute, een grove stof als een kloosterpij, wordt niet alleen het doek maar ook de vroegere kloosterruimte tot leven gebracht.  Deze bezieling van het doek en ruimte blijft bij de toeschouwer nazinderen als een tastbare bezinning over zin en zinloosheid van de schilderkunst.  Een voorlopig eindpunt van een intense zoektocht.